Chronisch lymfatische leukemie

Figuur 1
Incidentie CLL (figuur 1)


Wat is chronisch lymfatische leukemie?

Chronisch lymfatische leukemie (CLL) is de meest voorkomende vorm van leukemie in de westerse wereld. Volgens de oorspronkelijke definitie is leukemie een ziekte waarbij in het bloed vaak grote aantallen kwaadaardige leukocyten (witte bloedcellen) aanwezig zijn. Bij CLL wordt een sterke toename van één type (kwaadaardige) rijpe witte bloedcellen gezien: de zogenaamde B-lymfocyten. Deze abnormale cellen hopen zich niet alleen op in het bloed, maar ook in het beenmerg, de lymfeklieren, milt en lever.  

In Nederland wordt CLL ieder jaar bij 600 tot 700 patiënten vastgesteld. CLL komt op iedere leeftijd voor, echter vooral bij patiënten ouder dan 60 jaar en vaker bij mannen dan bij vrouwen (zie figuur 1).  Tot nu toe kan met chemotherapie geen volledige genezing worden bereikt. Wel is een tijdelijk verdwijnen van ziekteverschijnselen mogelijk.

De oorzaak van CLL is tot op heden onduidelijk. Er bestaat geen verband met blootstelling aan bestraling of chemicaliën, noch met aandoeningen die een gestoorde afweer tot gevolg hebben. Wel lijken er erfelijke factoren in het spel te zijn: CLL komt namelijk vooral voor bij Kaukasiërs (blanke mensen) maar wordt zelden gezien bij Oost-Aziaten, zelfs indien deze in de westerse wereld wonen. Ook komt CLL binnen bepaalde families voor, waarbij de ziekte bij opeenvolgende generaties op steeds jongere leeftijd tot uiting komt.

CLL wordt door velen beschouwd als hèt prototype van een kwaadaardige ziekte, waarbij de toename van de kwaadaardige cellen niet zozeer wordt veroorzaakt door ongebreidelde celdelingsactiviteit als wel door een verstoring van het mechanisme dat alle

Kader 1

B-cellen en het afweersysteem

De ontspoorde cel is in vrijwel alle gevallen een B-lymfocyt (of B-cel). Samen met de T-lymfocyten vormen B-lymfocyten het specifieke afweer- of immuunsysteem. Beide celtypen hebben het vermogen tot herkenning van zogenaamde antigenen. Voorbeelden van antigenen zijn: (delen van) eiwitten en suikerstructuren op het oppervlak van bacteriën, virussen, schimmels, maar ook eiwitten op de cellen van een andere persoon. De herkenning van een antigeen door lymfocyten geschiedt door middel van een speciaal molecuul op het oppervlak van de cel: de antigeenreceptor. Als een rijpe B-cel voor het eerst in contact komt met antigeen vindt er een serie fascinerende processen plaats. Voor het vervolg is belangrijk dat er na stimulering door het antigeen in de B-cel min of meer willekeurige veranderingen -mutaties- plaatsvinden in díe stukjes DNA, die de genetische code bevatten voor de antigeenreceptor: de antigeenreceptorgenen. Mutaties die resulteren in een antigeenreceptor met een slechtere binding aan het antigeen leiden tot de dood van de betreffende B-cel, terwijl B-cellen met mutaties die resulteren in een sterk verbeterde antigeenbinding positief geselecteerd worden.

De aanwezigheid van mutaties in de antigeenreceptorgenen is daarom het onomstotelijke bewijs dat de B-cel ooit in contact is geweest met antigeen. Het zal nu duidelijk zijn dat naïeve B-cellen (= B-cellen die nog nimmer door hun specifieke antigeen zijn geactiveerd) geen mutaties hebben. Tot voor enkele jaren gold als vaststaand dat de kwaadaardige lymfocyten bij de CLL ontspoorde naïeve B-cellen waren. Daarom was de voorspelling dat de antigeenreceptorgenen van de leukemiecellen géén mutaties zouden hebben. Groot was dan ook de verrassing toen in recente studies werd aangetoond, dat bij ongeveer de helft van alle CLL patiënten wél mutaties in deze genen aanwezig zijn. Er lijken dus twee vormen van de CLL te bestaan: één ontstaan uit naïeve B-cellen, en één ontstaan uit cellen met antigeenervaring (geheugen B-cellen). Dit onderscheid in de zogenaamde mutatiestatus is niet alleen van academisch belang. Zeer onlangs is namelijk door verschillende onderzoekers aangetoond dat er een groot verschil bestaat in de levensverwachting van beide subgroepen CLL patiënten.

cellen na een bepaalde tijd afsterven en door het lichaam worden opgeruimd (= apoptose). Recente studies hebben echter aangetoond dat de snelheid waarmee de CLL cellen zich delen aanzienlijk hoger ligt dan tot nu toe werd aangenomen. Deze delingen vinden waarschijnlijk plaats in de zogenaamde groeicentra in lymfeklieren en beenmerg. Op deze plekken krijgen de CLL cellen waarschijnlijk prikkels uit hun directe omgeving die de apotose remmen en de groei stimuleren.

CLL kent twee zeldzame varianten met zeer verschillende klinische, laboratorium en pathologische kenmerken:

naar boven naar boven

Symptomen

CLL kan een zeer rustig beloop hebben. De ziekte kan gedurende vele jaren aanwezig blijven zonder veel klachten en symptomen. 40% van de patiënten waarbij de diagnose CLL is gesteld, heeft geen symptomen. Naarmate de ziekte voortschrijdt en de normale bloedaanmaak in het beenmerg steeds meer verstoord raakt, kunnen de volgende symptomen ontstaan:

  • Vergrote, meestal onpijnlijke lymfeklieren. Vaak symmetrisch op meerdere plaatsen (bijv. hals, oksels, liezen, borstholte en buik)
  • Vergrote lever en/of milt
  • Vermoeidheid. Zelden koorts en / of gewichtsverlies
  • In latere fasen van de ziekte kan bloedarmoede (anemie) optreden door een tekort aan rode bloedcellen, of een verhoogde kans op bloedingen ontstaan door een tekort aan bloedplaatjes (trombocytopenie). Dit kan berusten op zowel verdringing van het normale beenmerg door de abnormale B-cellen, als op afbraak ten gevolge van afweerstoffen tegen de eigen rode bloedcellen en/of bloedplaatjes. Deze afweerstoffen (auto-antistoffen) zijn bij 10 tot 25% van de patiënten aantoonbaar
  • Herhaaldelijke infecties, enerzijds door een tekort aan normale witte bloedcellen (granulocyten) door beenmergverdringing, anderzijds door een verlaging van de normale afweerstoffen (immunoglobulinen). Dit laatste is bij ruim 50% van de patiënten met uitgebreide ziekte het geval

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese
  • Lichamelijk onderzoek
  • Bloedonderzoek - Beoordeling van een uitstrijkje van een druppeltje bloed van een CLL patiënt levert een zeer karakteristiek beeld onder de microscoop op, dat zelfs voor het niet geoefende oog gemakkelijk te onderscheiden is van de normale situatie. Er is een monotoon beeld van kleine lymfocyten, die deels kapot gestreken zijn (de zgn. Gumprechtse schollen). In het bloed worden hoge aantallen kwaadaardige rijpe B-lymfocyten aangetroffen.
  • Beenmergonderzoek

Bovengenoemde laboratorium onderzoeken zijn voldoende voor het stellen van de diagnose. Het is echter, zeker indien behandeling wordt overwogen, belangrijk de uitgebreidheid van de ziekte vast te stellen. Dit begint uiteraard met een zorgvuldig onderzoek van de patiënt (waarbij specifiek gelet wordt op vergrote klieren, vergrote lever/milt, bloedarmoede en tekenen van bloedingneiging). Ook wordt een röntgenfoto van de borstkas gemaakt (= x-thorax).

Voordat met therapie kan worden begonnen, omdat het voor de prognose van belang is vast te stellen om welke groep B-cellen het gaat, wordt nader bloedonderzoek gedaan met immunologische tests  (immuno fenotypering). Ook wordt vaak onderzoek verricht naar eventuele afwijkingen in de chromosomen (cytogenetica) of aanwezigheid van mutaties. Zie ook kader 2.

CT scans maken tot nu toe geen deel uit van het standaardonderzoek om het stadium van de ziekte te bepalen, scans worden wel gemaakt voor patiënten die behandeld worden in het kader van klinische studies (evaluatie).

Vooruitzichten

De vooruitzichten bij CLL zijn afhankelijk van een aantal factoren:

  • het stadium waarin de CLL zich bevindt (zie onderstaande Rai/Binet schema's);
  • de snelheid waarmee de lymfocyten zich verdubbelen (LDT - zie hieronder);
  • de mutatiestatus (zie kader 1 en 2)
  • chromosoomafwijkingen in de CLL cel (zie kader 2) 

Lymfocyten verdubbelingtijd (LDT)

De verdubbelingtijd van het aantal lymfocyten (=LDT) in het bloed heeft een verband met de prognose (=vooruitzichten) van CLL. Patiënten  met stadium A en een LDT van minder dan 1 jaar hebben een slechtere gemiddelde overleving (58 maanden tegenover meer dan 150 maanden). De LDT is uiteraard niet beschikbaar op het moment dat de diagnose wordt gestelde, maar kan wel redelijk goed geschat worden na een korte observatieperiode.

naar boven naar boven

Stadiumindeling volgens Rai

stadium

Rai vereenvoudigd

percentage CLL (%)

mediane overleving

definitie

stadium 0laag risico30meer dan 10 jaarlymfocytose
stadium Igemiddeld risico607 jaarlymfocytose en lymfadenopathie
stadium IIlymfocytose en vergrote milt of lever
stadium IIIhoog risico101,5 jaarlymfocytose met anemie
stadium IVlymfocytose met anemie en trombocytopenie

 

Stadiumindeling volgens Binet

Binet

percentage CLL(%)

mediane overleving 

definitie

stadium A60meer dan 10 jaarminder dan 3 lymfklierstations vergroot
stadium B305 jaarmeer dan 2 lymfklierstations vergroot
stadium C102 jaaranemie en/of trombocytopenie
Kader 2

Nieuwe prognostische tests

Door de komst van nieuwe prognostische testen kunnen patiënten geïdentificeerd worden van wie voorspeld kan worden dat ze op korte termijn tekenen van progressieve ziekte gaan ontwikkelen en vroegtijdig gaan overlijden. Er vinden momenteel gecontroleerde studies plaats, die zullen moeten aantonen of het zinvol is om deze patiënten vroegtijdig te gaan behandelen, met andere woorden voordat er tekenen van progressie zijn. Studies zullen ook moeten aantonen leren welke behandelingen het meest effectief zijn voor patiëntengroepen met bepaalde prognostische risico’s.

Mutatiestatus

De prognose bij patiënten met ongemuteerde antigeenreceptorgenen (IGV genen) is veel slechter dan van patiënten met gemuteerde IGV genen. Dit geldt zowel voor de hele groep CLL patiënten als voor patiënten met hetzelfde Binet stadium. Zo is bij ongemuteerde Binet A patiënten de gemiddelde overleving ongeveer 6,5 jaar, versus meer dan 12,5 jaar voor patiënten met gemuteerde IGV genen. De mutatiestatus blijkt dus een krachtige onafhankelijke prognostische factor te zijn. Het aantonen van mutaties is echter een technisch lastige en tijdrovende procedure en daardoor moeilijk toepasbaar in de routine diagnostiek.

Chromosoomafwijkingen (cytogenetica)

Menselijke cellen bevatten 46 chromosomen (23 paren) die zijn samengesteld uit DNA en de celgroei en de stofwisseling controleren. In sommige gevallen van CLL  kunnen één of meer chromosomen of delen van chromosomen ontbreken ("deleties"). 

De meest voorkomende afwijking bij CLL is het verlies van de lange arm van chromosoom 13. Deze afwijking wordt bij ruim 50% van de patiënten met CLL gevonden en gaat gepaard met een gunstige prognose. Laag risicopatiënten met de gunstigste chromosoomafwijkingen hebben een gemiddelde overlevingsduur van tien à twaalf jaar.

De groep met de ongunstigste afwijkingen (verlies van de lange arm van chromosoom 11 en vooral verlies van de korte arm van chromosoom 17) overleeft aanzienlijk korter. Deze ongunstige chromosoomafwijkingen worden beduidend vaker gevonden bij patiënten met ongemuteerde variabele immunoglobuline genen. Overigens kunnen in het beloop van de ziekte nieuwe chromosoomafwijkingen ontstaan waarbij vaak verslechtering van de ziekte optreedt. De komende jaren zal nog veel onderzoek verricht moeten worden om op te helderen hoe de verschillende chromosoomafwijkingen leiden tot verschillende prognoses. Inzicht daarin zal uiteindelijk wellicht de basis kunnen vormen van meer doelgerichte behandeling. Deze chromosomale afwijkingen en de mutatiestatus van de antigeenreceptor zijn beide zeer krachtige en onafhankelijke voorspellers van de prognose voor patiënten met een CLL. Anders geformuleerd: zij stellen ons in staat zeer relevante verschillen aan te tonen tussen patiënten die ogenschijnlijk hetzelfde stadium van dezelfde ziekte hebben.

 

Voorafgaand aan therapie of ter bepaling van de prognose kunnen cytogenetische test naar del (13q), del (11q), del (17p), trisomie 12 worden verricht, of moleculair onderzoek naar aanwezigheid TP53-mutatie.

naar boven naar boven

Behandeling

CLL kan een zeer rustig beloop hebben. Vooral bij een Rai stadium 0 of I kan de ziekte gedurende vele jaren aanwezig blijven zonder veel klachten en symptomen. In die gevallen zal de behandelend arts vaak een wat afwachtende houding innemen. De arts zal wel regelmatig willen controleren hoe de ziekte zich ontwikkelt.

Patiënten met Rai I/II worden behandeld als er sprake is van een actieve of progressieve ziekte die zich uit door:

  • een snel verslechterende algemene toestand (met minstens 1 van de volgende ziektegerelateerde symptomen):
    • gewichtsverlies groter of gelijk aan 10 % in voorafgaande 6 maanden
    • extreme vermoeidheid
    • koorts van 38.6 graden celsius of hoger gedurende minimaal 2 weken (zonder dat er sprake is van een infectie)
    • nachtzweten zonder dat er sprake is van infecties
  • daling van het aantal normale bloedcellen door verdringing van het beenmerg
  • toename van de grootte van lymfeklieren, milt of lever
  • een stijging van het aantal lymfocyten van meer dan 50% binnen 2 maanden of een verwachte verdubbelingstijd van minder dan 6 maanden

Als besloten wordt tot behandelen zal de behandelend arts met de patiënt bespreken welke behandeling nodig is. Veelal wordt gestart met chemotherapie die erop gericht is om de kwaadaardige CLL-cellen te doden. Ook kan worden overgegaan tot het gebruik van bepaalde antistoffen (= antilichamen of immunoglobulinen) die zich richten op eiwitten op het oppervlak van de CLL-cellen . Deze middelen worden soms ook in combinaties aangeboden.

De behandeling bij CLL wordt ook gegeven bij Small Lymphocytic Leukemia (SLL).


De HOVON CLL werkgroep heeft in 2017 onderstaand aanbevelingen gedaan voor de diagnostiek en behandeling van CLL. Zie de richtlijn "Chronische Lymfatische Leukemie". De richtlijn is als volgt ingedeeld:

  • Open/geplande studies
  • Eerste lijn behandeling 17 Behandeling patiënten met del (17p) of TP53-mutatie - zie kader 1
  • Behandeling laat recidief zonder del (17p) of TP53-mutatie 
  • Behandeling vroeg recidief, refractaire ziekte of recidief met del (17p) of TP53-mutatie
  • Overwegingen voor allogene stamceltransplantatie - hierbij wordt gebruik gemaakt van afweercellen van een ander (broer, zus of onverwante donor). Lees hier meer over stamceltransplantaties
  • Behandeling complicaties
  • Follow-up bij rustige CLL
  • Follow-up CLL met behandeling

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de behandelingen die zijn beschreven.

De ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen schrijdt in hoge snelheid voort. Informeer bij uw behandelend arts of u in aanmerking komt voor deelname aan een onderzoek met een van de nieuwere middelen.

Nieuwe ontwikkelingen

Elders op deze website staat een overzicht van alle lopende hematologische ga naarstudies (trials) in Nederland. 

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

Stichting Hematon, patiëntenorganisatie voor bloed- en lymfklierkanker en stamceltransplantatie: www.hematon.nl

naar boven naar boven

 

Hairy cell leukemie

Figuur 1
Hairy cell

Inleiding

Hairy cell leukemie (HCL) is een zeldzame variant van het non-Hodgkin lymfoom. Net als CLL wordt deze chronische aandoening officieel tot de lymfomen gerekend.  De leukemiecellen zijn kleine B-lymfocyten met uitsteekseltjes rondom die de cellen een "harig" ("hairy cell") uiterlijk geven dat onder de microscoop is waar te nemen (zie figuur 1). De leukemiecellen worden doorgaans aangetroffen in het beenmerg en de milt maar circuleren ook in het bloed.

Hairy cel leukemie kan niet worden genezen, maar omdat deze goed behandelbare vorm van leukemie zeer traag groeit zullen sommige patiënten nooit een behandeling nodig hebben. Een vergrote milt of daling van het aantal bloedcellen (doordat de leukemiecellen zich in het beenmerg verzamelen en daar de aanmaak van normale bloedcellen verstoren) zijn redenen om met de zeer effectieve behandeling te beginnen.

Elk jaar krijgen in Nederland ongeveer 40 mensen HCL. De ziekte kan zich op elke leeftijd openbaren, maar komt het meest voor bij mensen rond de 50 jaar en vaker bij mannen dan bij vrouwen (verhouding 5:1)

De oorzaken van HCL zijn onbekend, maar er wordt veel onderzoek gedaan naar factoren die het risico op het krijgen van HCL verhogen.

naar boven naar boven

Symptomen

Omdat HCL zich langzaam ontwikkelt hebben veel mensen lange tijd geen symptomen. De symptomen die zich bij HCL kunnen voordoen zijn niet uniek en komen ook bij veel andere bloedkankers voor:

  • aanhoudende vermoeidheid, duizeligheid, bleekheid, of kortademigheid bij lichamelijke activiteiten door anemie als gevolg van een verstoorde aanmaak van de rode bloedcellen
  • verhoogde kans op bloedingen of onverklaarbare blauwe plekken door een zeer laag aantal bloedplaatjes
  • herhaaldelijke infecties door een tekort aan normale witte bloedcellen 
  • ongemak dat wordt veroorzaakt door een gezwollen milt (splenomegalie)
  • pijn in de botten 
  • onverklaard gewichtsverlies en overmatig (nachtelijk) zweten

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese
  • Lichamelijk onderzoek waarbij specifiek wordt gelet op een vergrote milt 
  • Laboratoriumonderzoek naar het aantal van alle typen bloedcellen (= compleet bloedbeeld) en beoordeling van een uitstrijkje van een druppeltje bloed onder de microscoop op de aanwezigheid van de "harige" leukemiecellen
  • Beenmergonderzoek naar de aanwezigheid van leukemiecellen en voor de beoordeling van de mate waarin de aanmaak van normale bloedcellen is verstoord
  • Een echo of CT scan om de omvang van de milt vast te stellen

naar boven naar boven

Vooruitzichten

De vooruitzichten voor HCL patiënten zijn goed. Vaak is - zolang de HCL zich niet of slechts zeer langzaam ontwikkelt - lange tijd geen behandeling nodig. Mochten de symptomen en klachten uiteindelijk toch aanleiding geven om met een behandeling te beginnen, dan resulteert deze behandeling meestal in een lange periode waarin de symptomen van leukemie zijn verdwenen. De levensverwachtingen van HCL-patiënten en gezonde leeftijdsgenoten zijn tegenwoordig dan ook vrijwel gelijk.

naar boven naar boven

Behandeling

Behandeling is niet altijd noodzakelijk, omdat de leukemie zich meestal zeer traag ontwikkelt. De behandelend arts zal dan vaak een afwachtend ("wait and see") beleid voorstellen, waarbij de patiënt geregeld wordt gecontroleerd maar waarbij niet met een daadwerkelijke behandeling wordt begonnen. Uiteindelijk heeft echter de meerderheid van de HCL-patiënten toch een behandeling nodig. Ondanks het feit dat HCL niet kan worden genezen, is de behandeling zeer effectief in alle stadia en zullen de symptomen van de ziekte vaak voor een lange periode verdwijnen.

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de behandelingen die hieronder zijn beschreven.

Chemotherapie

Bij de meerderheid van de patiënten verdwijnen de symptomen van HCL volledig of gedeeltelijk na een behandeling met één van de twee volgende medicijnen: cladribine en pentostatine. De effectiviteit van de twee medicijnen ontloopt elkaar nauwelijks, maar in Nederland wordt cladribine het meest gebruikt.

Biologische (immuno-) therapie

Immunotherapie is erop gericht om de leukemiecellen meer herkenbaar te maken voor het immuunsysteem,  opdat dit systeem de leukemiecellen zal vernietigen. Bij HCL worden twee soorten immunotherapie gebruikt: interferon-alpha en Rituximab.

Chirurgie (splenectomie)

De milt is een orgaan dat lymfocyten aanmaakt, het bloed en lymfe filtert, bloedcellen opslaat en oude bloedcellen vernietigt. Verwijdering van de milt (= splenectomie) was vroeger de standaardbehandeling bij HCL. Tegenwoordig niet meer. Soms wordt splenectomie geadviseerd als de milt zeer sterk vergroot is en pijn veroorzaakt. Hoewel het verwijderen van de milt de HCL niet geneest, zal meestal wel een herstel van het aantal bloedcellen optreden. Bij 50% van de patiënten is geen verdere therapie nodig. De milt speelt echter ook een belangrijke rol bij het bestrijden van infecties. Het verwijderen van de milt heeft dus zowel voor- als nadelen.

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

Stichting Hematon, patiëntenorganisatie voor bloed- en lymfklierkanker en stamceltransplantatie: www.hematon.nl

naar boven naar boven

Prolymfocyten Leukemie


Wat is prolymfocyten leukemie?

Prolymfocyten leukemie (PLL) is een zeldzame aandoening waarbij een woekering van prolymfocyten optreedt. Normaal gesproken worden prolymfocyten alleen in het beenmerg gevonden, waar zij uitrijpen tot lymfocyten om vervolgens in de bloedbaan terecht te komen. Bij PLL vormen zich echter grote aantallen prolymfocyten in het beenmerg. Deze prolymfocyten begeven zich al in een vroeg stadium naar de bloedbaan. Door de grote aantallen abnormale prolymfocyten in het beenmerg wordt de vorming van álle typen normale bloedcellen geremd en ontstaan tekorten aan deze bloedcellen. 

De aandoening komt vooral bij patiënten rond de 70 jaar voor.

Net als ga naarCLL wordt PLL volgens de indeling van de World health Organisation (WHO) tot de lymfomen gerekend. Er worden twee soorten prolymfocyten leukemie onderscheiden, gebaseerd op het type lymfocyt dat is betrokken: B-cel en T-cel prolymofcyten leukemie. Deze twee subtypen hebben zeer verschillende klinische, laboratorium- en pathologische kenmerken. Hieronder zijn in ga naartabel 1 de verschillen tussen (B-)CLL, B-PLL en T-PLL inzichtelijk gemaakt.

B-PLL ontwikkelt zich soms na CLL. Wanneer dit gebeurt wordt dit een transformatie van CLL genoemd.

Tabel 1
 

(B-)CLL

B-PLL

T-PLL (vroeger T-CLL genoemd)

Aantal patiënten*

600 – 700

4 -8

10 – 15

Getroffen gebieden

Perifeer bloed, beenmerg, lymfeklieren, milt en lever

Perifeer bloed, beenmerg en milt

Perifeer bloed, beenmerg, lymfeklieren, milt, lever en de huid (tot 30%)

Symptomen

De symptomen varieren van patiënt tot patiënt. Mogelijk zijn: vermoeidheid, auto-immuun hemolytische anemie, infecties, vergrote milt of lever, gezwollen lymfeklieren.

Vergrote milt. Patiënten met B-PLL laten vaak een snelle stijging van het aantal lymfocyten zien.

In de helft van de gevallen is er sprake van anemie en trombocytopenie.

Een vergrote milt en lever, gezwollen lymfeklieren en een snelle stijging van het aantal lymfocyten in het bloed.

Vaak komen anemie en trombocytopenie voor.

Bij 20% van de patiënten is de huid aangedaan.

Diagnose

Gebaseerd op het percentage prolymfocyten in een bloeduitstrijkje: tot 10% spreken we van B-CLL; bij 10 tot 55% van B-CLL/PLL.

Via immunologische tests is een sterke groei van de B-cellijn aangetoond.

Het percentage prolymfocyten in een bloeduitstrijkje is meer dan 55% tot soms wel meer dan 90%.

Via immunologische tests is een sterke groei van de B-cellijn aangetoond.

In het bloeduitstrijkje overheersen prolymfocyten.

Via immunologische tests is een sterke groei van de T-cellijn aangetoond

Vooruitzichten

De vooruitzichten bij CLL zijn afhankelijk van een aantal factoren (lees daarover ga naarhier meer): het stadium waarin de CLL zich bevindt;  de snelheid waarmee de lymfocyten zich verdubbelen;  de mutatiestatus; chromosoom afwijkingen in de CLL cel.
De gemiddelde overleving kan daardoor uiteenlopen van 12 maanden tot meer dan 10 jaar.

De vooruitzichten voor patiënten met B-PLL, zijn veel slechter dan bij B-CLL en worden niet aantoonbaar beïnvloed door de mutatiestatus of chromosoomafwijkingen (gemiddelde overleving 30 – 50 maanden).

De vooruitzichten bij T-PLL zijn slechter dan bij B-CLL en B-PLL (gemiddelde overleving minder dan een jaar).

Zeer zelden is er sprake van een veel milder beloop dat meer lijkt op een B-CLL.

Behandeling

Geneesmiddelen: Chlorambucil, Fludarabine, Cyclofosfamide, Alemtuzumab, Rituximab.

Bij patiënten van 65 jaar of jonger wordt soms overgegaan tot een allogene stamceltransplantatie

Geneesmiddelen: CHOP, Fludarabine, Cladribine, Rituximab, Alemtuzumab.

Verwijdering of bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie).

Geneesmiddelen: Alemtuzumab, Cladribine.

Verwijdering of bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie). In studieverband wordt het effect van autologe en allogene SCT onderzocht

* jaarlijks in Nederland

naar boven naar boven

Symptomen

Een patiënt met PLL heeft meestal een sterk vergrote milt, omdat de vele prolymfocyten zich daar verzamelen. 

In het bloed en beenmerg worden grote aantallen (pro)lymfocyten aangetroffen. Er wordt echter veelvuldig een tekort aan rode bloedcellen (anemie) en bloedplaatjes (trombocytopenie)  waargenomen.

Andere symptomen  - die echter ook bij vele andere bloedkankers voorkomen - zijn vermoeidheid en gewichtsverlies.

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese
  • Lichamelijk onderzoek waarbij specifiek wordt gelet op een vergrote milt 
  • Laboratoriumonderzoek naar het aantal van alle typen bloedcellen (= compleet bloedbeeld) en beoordeling van een uitstrijkje van een druppeltje bloed onder de microscoop op de aanwezigheid van karakteristieke PLL cellen
  • Beenmergonderzoek - Omdat het voor de te kiezen behandeling van belang is vast te stellen om welk type lymfocyt het gaat worden immunologische tests gedaan (immunofenotypering) en wordt onderzoek verricht naar eventuele afwijkingen in de chromosomen (cytogenetica). Ook wordt via beenmergonderzoek beoordeeld in welke mate de aanmaak van normale bloedcellen is verstoord
  • Wanneer de diagnose onzeker is, wordt soms een lymfklierbiopsie uitgevoerd 
  • Een echo of CT scan om de omvang van de milt vast te stellen

naar boven naar boven

Prognose

In het algemeen is de prognose van de PLL somber. Mogelijk bestaat er een subgroep van de T-PLL met een wat betere prognose. Beide vormen van PLL zijn echter agressiever dan CLL en reageren ook vaak minder goed op de behandeling.  

naar boven naar boven

Behandeling

PLL is een progressieve aandoening die moeilijk te behandelen is.  B-PLL en T-PLL worden op verschillende manieren behandeld.

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de behandelingen die hieronder zijn beschreven.

B-PLL: CHOP, Fludarabine, Cladribine, Rituximab, Alemtuzumab, splenectomie/bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie)

T-PLL:  Alemtuzumab, Cladribine, splenectomie/bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie). In studieverband wordt het effect van autologe en allogene SCT onderzocht

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

Stichting Hematon, patiëntenorganisatie voor bloed- en lymfklierkanker en stamceltransplantatie: www.hematon.nl

naar boven naar boven