You are here

Verstandige keuzes

Primary tabs

In een aantal sessies met vertegenwoordigers vanuit de deelspecialistische verenigingen zijn in 2014 tien ’Verstandige Keuzes bij interne geneeskunde’ vastgesteld (zie voor een toelichting www.verstandigkiezen.nu ). De Federatie Medisch Specialisten en ZonMw willen met dit programma medisch specialisten en patiënten stimuleren om in gesprek te gaan over het nut en de noodzaak van zorgmogelijkheden:

Literatuurverwijzigingen via: http://www.internisten.nl/verstandigkiezen

 

1. Prik op de klinische afdeling alleen meer dan twee keer per week bloed als er een indicatie is.

Niet meer bloed prikken dan nodig is, levert patiëntvriendelijke zorg op zonder verlies van kwaliteit en veiligheid. Goede afspraken hierover maakt diagnostiek ook een stuk goedkoper. 

2. Voorkom het plaatsen van een urineverblijfskatheter bij stabiele patiënten op de Spoedeisende Hulp (SEH) die zelf nog kunnen plassen.

Het plaatsen van een urineverblijfskatheter brengt namelijk risico’s - en extra kosten - met zich mee. Zo zijn katheter-geassocieerde urineweginfecties een frequent voorkomend probleem in de Nederlandse ziekenhuizen.

3. Doe geen onderzoek naar een erfelijke stollingsafwijking bij een eerste trombose of embolie.

De uitkomst van dit stollingsonderzoek zal de behandeling niet beïnvloeden. Daarnaast voorkomt het onnodig screenen en onrust bij de patiënt en de familie als er sprake is van een positieve uitslag. Het niet doen van dit onderzoek is patiëntvriendelijk en kostenbesparend.

4. Stap indien mogelijk over van intraveneuze naar orale antibiotica en overweeg ontslag naar huis.

Het is wetenschappelijk bewezen dat een vroege overstap van antibiotica toedienen via het infuus naar het slikken van orale antibiotica verantwoord en veilig is. Een vroege overstap is patiëntvriendelijker, minder bewerkelijk voor de verpleging en leidt tot aanzienlijke kostenbesparing.

Een bijkomend voordeel is dat de patiënt eerder met ontslag kan, wat uiteraard niet alleen beter is voor de patiënt, maar nóg meer kostenbesparing oplevert.

5. Maak geen standaard röntgenfoto van de buik en de borstkas bij volwassen patiënten met acute buikpijn.

In de beoordeling bij patiënten met acute buikpijn zijn röntgenfoto’s van de buik en borstkas niet nodig. Deze technieken hebben geen toegevoegde waarde ten opzichte van anamnese (de ziektegeschiedenis die de patiënt aan de dokter vertelt), lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek om de diagnose acute buikpijn vast te stellen. Zo voorkom je dat er van de patiënt onnodig foto’s, en daarmee onnodig kosten gemaakt worden.

6.Alleen op indicatie beeldvormende follow-up onderzoeken (PET en/of CT-scan) bij maligne lymfoom (lymfklierkanker).

Na afsluiting van een behandeling niet routinematig een follow up scan maken ter uitsluiting van een recidief. In meer dan 20% van de gevallen zijn PET-scans vals-positief. Dit leidt tot onnodig aanvullend onderzoek en als gevolg hiervan tot onnodige blootstelling aan bestraling of biopsieën, ongerustheid bij de patiënt en onnodige kosten. Het gaat hier expliciet niet om een evaluatie na einde behandeling (eindevaluatie), die wel geadviseerd wordt en noodzakelijk is.

7. Niet standaard een protonpompremmer (PPI) voor patiënten die starten met een prednison behandeling.

Wanneer alleen glucocorticoïden (zoals prednison) worden gebruikt, is geen maagbescherming nodig. Bij een maagzweer in de anamnese of bij aanwezigheid van een andere risicofactor zoals het gebruik van NSAID’s, SSRI’s, salicylaten of anticoagulantia is maagbescherming met een PPI geïndiceerd.

8. Vraag bij een invasieve ingreep niet standaard een stollingsonderzoek aan, maar doe dat op geleide van een bloedingsanamnese.

Bij invasieve ingrepen wordt er in het lichaam gebiopteerd of gesneden. Om te onderzoeken of er sprake is van een versterkte bloedingsneiging (hemorragische diathese) is het noodzakelijk eerst de bloedingsaard en –geschiedenis te onderzoeken. Dan wordt bijvoorbeeld navraag gedaan over het voorkomen van door- of nabloeden bij trauma of operaties, andere aandoeningen bijvoorbeeld aan lever of nieren, bloedingsziekten in de familie en medicijngebruik.

9. Geneesmiddelen worden in principe voorgeschreven op stofnaam.

Op basis van het uitgangspunt ‘Goedkoop als het kan, duur als het moet’ worden geneesmiddelen in principe voorgeschreven op stofnaam. Door geen merknaam te gebruiken, kan de apotheker een generieke variant afleveren indien beschikbaar. De KNMP Handleiding Geneesmiddelensubstitutie geeft aan wanneer niet gesubstitueerd kan worden.

10. Bij het bespreken van de behandeling met de patiënt ook de behandelbeperkingen bespreken.

Bij het bespreken van de behandeling met de patiënt is het van belang om ook te bespreken of de patiënt niet wil dat bepaalde behandelingen worden uitgevoerd of dat bepaalde behandelingen niet zinvol zijn. In overleg kan bepaald worden wat de behandelbeperkingen zijn voor de patiënt en vervolgens worden deze schriftelijk vastgelegd.