You are here

Myelofibrose


Wat is myelofibrose?

Chronisch idiopatische myelofibrose (CIMF), of kortweg myelofibrose (MF) kenmerkt zich door een overmatige vorming van bindweefsel (fibrose) in het beenmerg. Deze bindweefselaanmaak is het gevolg van een woekering van bepaalde voorlopercellen van de bloedplaatjes, de zogenaamde megakaryocyten, die op hun beurt de in het beenmerg aanwezige fibroblasten stimuleren tot de aanmaak van bindweefsel.

Aanvankelijk is het beenmerg zeer celrijk en zijn de aantallen trombocyten en leukocyten in het bloed vaak verhoogd. Naarmate de fibrose toeneemt en de bloedvormende cellen meer en meer uit het beenmerg worden verdreven, ontstaan tekorten aan normale bloedcellen. In het bloed worden in eerste instantie vooral onrijpe en misvormde rode bloedcellen (traandruppelcellen) aangetroffen. In een later stadium zal ook een tekort aan normale witte bloedcellen en bloedplaatjes ontstaan. Kenmerkend voor myelofibrose is dat andere bloedvormende organen als de lever en de milt de gebrekkige bloedaanmaak in het beenmerg proberen te compenseren, de zogenaamde extramedullaire hematopoiese. Vooral de milt kan daardoor sterk vergroot raken.

Deze zeldzame aandoening (jaarlijks 150 nieuwe gevallen in Nederland) komt vooral voor bij patiënten in de leeftijd van 60 - 70 jaar en iets vaker bij mannen dan bij vrouwen. De chronisch idiopathische (of primaire) myelofibrose staat op zichzelf; secundaire myelofibrose kan optreden bij andere (hematologische) aandoening zoals polycythemia vera, trombocytemie, leukemie, lymfeklierkanker, multipel myeloom en tuberculose.

naar boven naar boven

Symptomen

Myelofibrose kan een zeer rustig verloop hebben. De ziekte kan gedurende vele jaren aanwezig blijven zonder veel klachten en symptomen. 

In deze vroege fase waarin het beenmerg nog zeer celrijk is en het aantal bloedplaatjes in het bloed vaak sterk verhoogd is, kunnen symptomen optreden die overeenkomen met de symptomen van patiënten met essentiële trombocytemie: 

  • circulatiestoornissen - tintelingen of pijn (erytromegalie) die kunnen optreden in handen, vingers, voeten of tenen
  • trombose, waarbij een bloedstolsel wordt gevormd in een ader in het lichaam. Problemen met de stolling komen vaker voor bij mensen boven de 60, of degenen die al eerder te maken hadden met bloedstolsels. De symptomen zullen afhangen van de plaats in het lichaam waar het stolsel wordt gevormd:
    • de diepe aderen van het been. Dit kan leiden tot symptomen zoals pijn, zwelling, warmte en roodheid van de kuit (bekend als diepe veneuze trombose of DVT).
    • de hersenen. Dit kan leiden tot milde symptomen zoals hoofdpijn, verstoring van het zicht of duizeligheid. Bloedstolsels in de hersenen kunnen ook ernstiger symptomen veroorzaken, zoals een beroerte of TIAS (voorbijgaande ischemische aanvallen [mini-beroertes])
    • het hart. Een bloedstolsel in het hart kan leiden tot pijn op de borst, en in ernstige gevallen tot een hartaanval.
    • de longen. Een bloedstolsel in de longen kan leiden tot kortademigheid en pijn op de borst. Dit staat bekend als een longembolie.
  • bloedingen - door de woekering in het beenmerg zijn de bloedplaatjes vaak nog niet geheel rijp zijn wanneer ze in de bloedbaar terechtkomen (dit is vooral het geval bij aantallen trombocyten hoger dan 1000 miljard/liter bloed) en functioneren ze niet altijd naar behoren waardoor juist weer bloedingen kunnen optreden: neusbloedingen, blauwe plekken, bloedend tandvlees, heviger menstruaties

Naarmate de ziekte voortschrijdt en de normale bloedaanmaak in het beenmerg steeds meer verstoord raakt door de toename van fibrose in het beenmerg (de fibrotische fase), kunnen symptomen optreden die evenwel niet uniek zijn voor myelofibrose en ook bij andere bloedkankers voorkomen:

  • anemie als gevolg van een gebrek aan rode bloedcellen, waardoor aanhoudende vermoeidheid, duizeligheid, bleekheid, of kortademigheid bij lichamelijke activiteiten optreden
  • frequente of terugkerende infecties en langzame wondgenezing, door het gebrek aan normale witte bloedcellen
  • verhoogde kans op bloedingen of onverklaarbare blauwe plekken te wijten aan een zeer laag aantal en slecht functionerende bloedplaatjes
  • jeuk, gewichtsverlies, koorts en nachtelijk transpireren
  • buikklachten door een vergrote milt en / of lever
  • jicht en nierstenen door een verhoogd urinezuur gehalte 

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese
  • Lichamelijk onderzoek - Vastleggen van lever- en miltgrootte
  • laboratoriumonderzoek - Bij de beoordeling van een uitstrijkje van een druppeltje bloed onder de microscoop, worden vaak misvormde en onrijpe rode bloedcellen (traandruppelcellen) en onrijpe witte bloedcellen aangetroffen. Het LDH is vaak verhoogd
  • Beenmergonderzoek - In het beginstadium van de ziekte bevat het beenmerg vaak een groot aantal megakaryocyten en bloedplaatjes. Om de diagnose myelofibrose met zekerheid te kunnen stellen wordt een beenmergbiopt afgenomen. Een beenmergpunctie is soms moeilijk uit te voeren door het bindweefsel in het beenmerg (de zogenaamde "dry tap")
  • Radiologisch onderzoek - soms wordt een echo of scan van de buikholte gemaakt om de grootte van de milt en lever vast te leggen
  • Cytogenetisch onderzoek - In 2005 werd een mutatie ontdekt in het JAK2 gen die in verband gebracht wordt met de groep myeloproliferatieve aandoeningen. Via cytogenetisch onderzoek kan de mutatie worden opgespoord.

naar boven naar boven

Prognose

De vooruitzichten van patiënten met myelofibrose variëren afhankelijk van de aard van de klachten en het al dan niet optreden van complicaties (zie tabel 1). De ziekte is alleen te genezen door een stamceltransplantatie, overige behandelingen zijn gericht op het remmen van de ontwikkeling van de ziekte en het verminderen van de klachten en symptomen. Patiënten kunnen de ziekte 10 jaar of langer overleven, vooral als de diagnose vroeg gesteld wordt.  Zeer ernstige gevallen van myelofibrose kunnen echter binnen 3 tot 6 jaar fataal zijn.

Tabel 1 - Prognostische risicofactoren
  Lille (Dupriez) Cervantes (jonger dan 56 jaar)
Risico factoren
 
Hemoglobinegehalte lager dan 6,25 mmol/liter bloed Hemoglobinegehalte lager dan 6,25 mmol/liter bloed
  constitutionele symptomen (jeuk, koorts, vermagering)
Prognostische groep (aantal aanwezige risico factoren)
 
 
laag risico: 0 laag risico: 0-1
gemiddeld risico: 1  
hoog risico: 2 hoog risico: 2 -3

naar boven naar boven

Behandeling

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de behandelingen die hieronder zijn beschreven.

Bij patiënten in de vroege fase met een laag risico (zie tabel 1) wordt vaak een afwachtende houding ingenomen ("wait and see") waarbij de patiënt geregeld wordt gecontroleerd om de ontwikkeling van de ziekte te volgen.

Wanneer de symptomen van de ziekte toenemen en er meer klachten ontstaan, kan als volgt worden behandeld:

Algemeen

Behandeling met tabletten Ascal om het risico op trombose en embolie te verminderen.

Anemie

Naarmate de fibrose toeneemt en de bloedvormende cellen meer en meer uit het beenmerg worden verdreven, ontstaat een tekort aan normale rode bloedcellen. De bloedarmoede die hiervan het gevolg is kan worden behandeld met:

  • injecties met erythropoetine om de bloedaanmaak te verbeteren
  • een combinatietherapie van Thalidomide en Prednison
  • een behandeling met Lenalidomide
  • een behandeling met corticosteroïden of androgenen
  • bloedtransfusies

Woekering in het beenmerg en splenomegalie

In geval van een toenemende woekering van cellen (trombocythemie, leukocytose, vergrote milt) of bij een tekort aan meerdere typen bloedcellen (=cytopenie) door de vergrote milt (= splenomegalie) , wordt overgegaan tot de volgende behandeling:

  • Hydroxycarbamide/-ureum of Interferon-alpha
  • verwijdering of bestraling van de milt (= splenectomie)
  • Sommige hoog risico patiënten komen in aanmerking voor een (non) myeloablatieve allogene stamceltransplantatie. Dit is de enige methode om myelofibrose te genezen.
  • Jak2 mutaties lijken een belangrijke rol te spelen bij de ontwikkeling van de ziekte. De JAK2 (ookwel JAK2V617F) mutatie is aanwezig in 50% van patiënten met idiopathische myelofibrose. Een behandeling met de JAK2 remmer ruxolitinib is voor patiënten met een specifiek profiel mogelijk.

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Er worden in studieverband nieuwe behandelingen met verschillende soorten JAK2 remmers, al dan niet in combinatie met andere medicatie, aangeboden.

Zie overzicht lopende studies

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

Voor patiënten met myelofibrose (MF) is er een patiëntenorganisatie: de MPN (voorheen MPD) Stichting. Hier kunnen ook patiënten met essentiële trombocytemie (ET) en polycythaemia vera (PV) terecht. De MPN Stichting verstrekt informatie aan patiënten, artsen en andere hulpverleners, ze behartigt de belangen van MPN-patiënten en voorziet op verschillende manieren in lotgenotencontact. Daarnaast beheert de MPN Stichting haar eigen Fonds Wetenschappelijk Onderzoek, waarmee ze wetenschappelijk onderzoek naar MPN stimuleert. Naast patiënten kunnen ook hun familieleden en andere betrokkenen bij de MPN Stichting terecht.

Meer informatie op de website van de MPN Stichting: www.mpd-stichting.nl

naar boven naar boven